FIDE regels voor het Schaakspel

Officiele Nederlandse vertaling KNSB maart 2005

De FIDE Regels voor het Schaakspel gelden voor het bordschaak.

De Engelse tekst is de authentieke versie van de Regels voor het Schaakspel, aangenomen op het 75e FIDE-Congres te Calvia (Mallorca), oktober 2004 en geldt vanaf 1 juli 2005.
In deze Regels betekenen de woorden 'hij', 'hem' en 'zijn' tevens 'zij' en 'haar'.

Voorwoord

De Regels voor het Schaakspel kunnen niet alle mogelijke situaties, die tijdens een partij voorkomen, dekken. Evenmin kunnen ze alle administratieve kwesties regelen. In situaties die niet nauwkeurig door een artikel van de Regels worden geregeld moet het mogelijk zijn om tot een juiste beslissing te komen door analoge situaties in overweging te nemen, die wel in de Regels voor het Schaakspel zijn behandeld. In de Regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn. Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden.

De FIDE doet een beroep op alle schakers en schaakbonden deze opvatting te aanvaarden. Een aangesloten schaakbond heeft de vrijheid om regels die meer gedetailleerd zijn, in te voeren onder voorwaarde dat:

  • zij in geen enkel opzicht in strijd zijn met de offici�le FIDE Regels voor het Schaakspel;
  • zij beperkt zijn tot het gebied van de desbetreffende bond;
  • zij niet gelden voor een FIDE-wedstrijd, -kampioenschap of -kwalificatietoernooi, of voor een FIDE-titel- of ratingtoernooi.

Spelregels

Artikel 1: Aard en doel van het schaakspel

1.1 De schaakpartij wordt gespeeld tussen twee tegenstanders die om beurten hun stukken verplaatsen op een vierkant bord, "schaakbord" genoemd. De speler met de witte stukken begint de partij. Men zegt dat een speler "aan zet is", wanneer de zet van zijn tegenstander is "gedaan".

1.2
Het is de bedoeling van elke speler om de koning van de tegenstander zodanig "aan te vallen", dat de tegenstander geen reglementaire zet meer kan doen. Men zegt dat een speler die dit doel bereikt, de koning van de tegenstander heeft "matgezet" en dat hij de partij heeft gewonnen. Het is niet toegestaan de eigen koning aangevallen te laten staan of een zet te doen waardoor de eigen koning aangevallen wordt. Ook is het niet toegestaan de koning van de tegenstander te "slaan". De tegenstander, wiens koning is matgezet, heeft de partij verloren.

1.3
Als de stelling zodanig is dat geen der spelers nog mat kan zetten, dan is de partij remise.

Artikel 2: De beginopstelling van de stukken op het schaakbord

2.1 Het schaakbord bestaat uit 64 gelijke vierkante velden, in een 8 bij 8 patroon, die afwisselend licht (de "witte" velden) en donker (de "zwarte" velden) zijn gekleurd. Het schaakbord wordt zodanig tussen de spelers geplaatst, dat het hoekveld dat het dichtst bij de rechterzijde van de speler ligt, wit is.

2.2
Bij het begin van de partij heeft de ene speler 16 lichtgekleurde stukken (de "witte" stukken); de ander heeft 16 donkergekleurde stukken (de "zwarte" stukken). Deze stukken zijn de volgende:


Wit Zwart
een koning
een dame
twee torens
twee lopers
twee paarden
acht pionnen

2.3 De beginopstelling van de stukken op het schaakbord is als volgt:









2.4 De acht verticale kolommen van velden noemt men "lijnen". De acht horizontale reeksen van velden noemt men "rijen". Een rechte lijn van velden van dezelfde kleur waarvan hoekpunten elkaar raken, wordt een "diagonaal" genoemd.

Artikel 3: De loop der stukken

3.1 Het is niet toegestaan een stuk te verplaatsen naar een veld waarop een stuk van dezelfde kleur staat. Als een stuk naar een veld gaat waarop een stuk van de tegenstander staat, dan wordt dit geslagen en, als deel van deze zet, verwijderd van het schaakbord. Men zegt dat een stuk een stuk van de tegenstander aanvalt, als het eerstgenoemde stuk op dat veld iets kan slaan overeenkomstig de artikelen 3.2 tot en met 3.8.
Een stuk valt een veld aan, zelfs als het stuk niet naar het veld verplaatst mag worden omdat het dan de eigen koning aangevallen laat staan of omdat de koning van de eigen kleur daardoor aangevallen wordt.

3.2
De loper kan worden verplaatst naar elk veld van een diagonaal waarop hij staat.

 









3.3
De toren kan worden verplaatst naar elk veld van de lijn of rij waarop hij staat.

 

 









3.4
De dame kan worden verplaatst naar elk veld van de lijn, de rij of een diagonaal waarop zij staat

 

 









3.5 Bij deze zetten kan de loper, toren of dame niet over een stuk heen worden verplaatst.

3.6
Het paard kan worden verplaatst naar een van de dichtstbijzijnde velden die niet op dezelfde lijn, rij of diagonaal liggen als waarop het staat.

 

 









3.7

 

a De pion kan voorwaarts worden verplaatst naar het onbezette veld direct vóór hem op dezelfde lijn, of
b bij zijn eerste zet mag de pion worden verplaatst als in a); als alternatief mag hij twee velden op dezelfde lijn naar voren worden verplaatst onder voorwaarde dat beide velden onbezet zijn, of
c de pion kan worden verplaatst naar een door een stuk van de tegenstander bezet veld schuin voor hem op een aangrenzende lijn. Hierbij wordt dit stuk geslagen.









d Een pion die een veld aanvalt dat is overschreden door een pion van de tegenstander die vanaf zijn oorspronkelijke veld twee velden in één zet naar voren is gegaan, mag die pion van de tegenstander slaan alsof deze slechts één veld naar voren is gegaan. Dit slaan is alleen reglementair bij de eerstvolgende zet en wordt "en passant" slaan genoemd.

 









e Als een pion de rij, het verst van zijn beginpositie verwijderd, bereikt, dan moet hij, als deel van dezelfde zet, worden vervangen door een nieuwe dame, toren, loper of paard van dezelfde kleur. De keuze van de speler is niet beperkt tot stukken die eerder zijn geslagen. Deze vervanging van een pion door een ander stuk wordt "promotie" genoemd. Het nieuwe stuk functioneert onmiddellijk.

 

3.8

a Er zijn twee verschillende manieren waarop de koning kan worden verplaatst, namelijk

I naar een aangrenzend veld dat niet door een of meer stukken van de tegenstander wordt aangevallen.